Agenda:

   Taal:    nederlands   Frysk Welkom Nieuws Kerk Terkaple Prikbord Contact  

Menu

Dorpen en bewoners
Oare tiden voorwoord
Oare tiden aflevering 1
Oare tiden aflevering 2
Oare tiden aflevering 3
Oare tiden aflevering 4
Oare tiden aflevering 5
Oare tiden aflevering 6
Oare tiden aflevering 7
Oare tiden aflevering 8
Oare tiden aflevering 9
Oare tiden aflevering 10
Oare tiden aflevering 11
Oare tiden Triennen van Eagmaryp


Plaatselijk belang
De Earrebarre
Voorzieningen
Jongeren
Verenigingen
Bedrijven
Agenda
Fotoalbums
Youtube
Gastenboek
Links


Aflevering 6:

Geschiedenis van “de Lege Wâlden”

Deze keer moeten wij maar eens een aantal historische feiten bespreken van onze dorpen.

Vandaag is de beurt aan Akmarijp, want we houden ons aan het alfabet.

Over dit dorp is veel te vertellen, vooral over de middeleeuwen, de tijd van gevechten tussen

Schieringers en Vetkopers. Vraag mij niet waar deze groepen precies voor stonden; dat wisten

ze zelf ook niet eens, maar gevochten moest er worden. Soms veranderden de landedelen zelf

wel van partij als dat voordeliger was.

Akmarijp lag aan een vaart die in de vroege middeleeuwen al gegraven was voor de

afwatering van het veengebied. Zodoende is het ook een streekdorp geworden. Het is altijd

een boerenstreek geweest, maar met grote welvaart. Er wordt in oude geschriften een aantal

stinzen genoemd die er gestaan heeft; dat wijst op rijke boerenfamilies (landadel) Namen als

Galema, Donia, Bangma, Unia, Molla en Bavema worden genoemd, maar het is niet met

zekerheid te zeggen of deze stinzen er ook allemaal tegelijkertijd gestaan hebben.

Wat was een “stins”? Het woord betekent: stenen huis. Het was een stenen verdedigingshuis

bij een houten boerderij en wordt ook wel state genoemd. Samen waren ze woning en bedrijf

voor de middeleeuwse Friese landadel. Er is nog zo’n stins te zien in Veenwouden: de

Skierstins.

Hepkema schrijft in zijn “wandelingen door Friesland” over een kerkje in Akmarijp met

noordelijk daarvan Abbema en Donia en zuidelijk van het kerkje de stins Galema. De kerk

van Akmarijp stond op de plaats van het hedendaagse kerkhof. Dat er op die plaats

bebouwing is geweest is wel duidelijk, want bij het graven van een graf komen heel vaak

stenen uit de grond, altijd oude Friezen of kloostermoppen. In het boekje “Bornego” van H.

Halbertsma wordt gesproken over twee parochies, namelijk die van Ackrommaryp en die van

Monekaga (St. Jansga). Op het stukje land tussen A. Hofstra en G. Kingma zijn enkele jaren

geleden opgravingen gedaan die wijzen op de fundamenten van het kerkje van St. Jansga.

Beide kerken waren volgens Halbertsma dochterkapellen van de St. Pancraskerk in

Aldeboarn. Hoe het precies geweest is zullen we wel nooit te weten komen.

De bekendste en meest beruchte stins was die van Age Donia, die behoorlijk geschiedenis

gemaakt heeft met zijn plunderingen in de jaren 1458 tot 1463. Dat staat allemaal beschreven

in de “Kroniken” van Petrus van Thabor, een monnik van het klooster Thabor onder Tirns bij

Sneek.

Hij schrijft: “fan Doiynga oerloghe 1458 – in’t jaer ons Heeren MCCCC en de LV111

hadden dese broederen mit hoer swageren open oerloch, als tussen Agga Doynga miy Jancko

Douma ende dy Woldman tegen Watthya Bocka Harinxma, woonende toe Slooten”

Het verhaal gaat verder in het middel-Nederlands, maar ik moet natuurlijk niet te veel

uitweiden. Bovendien is het moeilijk te lezen als men het niet gewend is.

In 1459 verovert Age Donia, met behulp van Jancko Douma de stins Galema, zuidelijk van de

kerk in Akmarijp. Het wordt als volgt beschreven:

“in’t jaer ons Heeren MCCCCIX doe creech Agga Doynga Joucka Gheelamahuys in

Ackmaryp ende Haring Doynga creech Hepkahuys toe Smallebreghe, ende hielden daar vele

droesen op, die groeten scade deden toe Wommels, toe Bolswert ende in die groete Aenwert

ende allerweghen in Oestergo ende in Westergo, ende in die Seuenwolden, als van vangen

ende roven. Tenlesten om Hepkastins weder te kryghen, wort Syrick Doynga quit, den Douwe

Syarda lange geuangen hadde. Daerna quam Haring to Agga in Ackmaryck”

Daar bleef het niet bij want in de daaropvolgende jaren gingen de plundertochten door tot

Bolward en Boksum. Tot op een algemene landdag van Frieslân in 1461 besloten werd om af

te rekenen met Age Donia.

“in dat selve jaer drewen Doynga met hoer swagers groet hoechmoet. Sy roueden ende

vingen ende scatten, ende al’t lant was in vrese, so dat het lant gaer floet, ende beleyden

Haring ende Agge in Ackmaryp. Daer bedreef dat meenlant niet veel, want Renik Kamstra

wordt mitter busse gheschoten daer hy an sterf. Douwe Syarda verloes twee neven ende

anders bleuen daer IX of X mannen en deeden ghien baet ende toghen elck syns wech te huys”

Met een leger van ongeveer 4000 man komen ze dus naar Akmarijp. Age had al moderne

wapens aangeschaft: een soort geweer of kanon, in de kronieken “busse” genoemd. Denk in

dit verband aan buskruit. De belegeraars schrikken hier heel erg van; men kan op afstand

zomaar dodelijk worden getroffen. Heel wat anders dan pijl en boog. Er werden een man of

15 doodgeschoten. Hier was niet tegen te vechten; daarom gingen de verschillende edelen met

hun soldaten weer naar huis.

Age werd overmoedig en plunderde nog meer dan daarvoor. In 1463 kwamen zijn vijanden

weer, maar nu met dezelfde wapens als Age. De belegering van Age’s stins duurde 14 dagen.

Toen was het eten op in de stins en moesten ze het opgeven. De stins werd overmeesterd en

afgebroken. Age zelf was in de nacht gevlucht. Dat was dus het eind van een roofridder in

Akmarijp.

Over de andere stinzen in Akmarijp is eigenlijk niets bekend. Slechts de naam Abbema

komen we nog tegen in de kerk van Aldeboarn: anno 1612 Pibona Oritisius van Abbema,

bedienaer des H. Evangely tot Suylen in sticht Utrecht.

A. Boersma